Jezus: de man en Zijn werk
door Wallace D. Wattles

Voorwoord

In deze dagen van het afbreken van idolen en de rappe bijstelling van idealen komt deze lezing zeer op tijd. Gegeven in het Auditorium, Cincinatty, op 11 november 1905, onder auspiciën van de plaatselijke afdeling van de Socialistische Partij, maakte het zo’n goede indruk op zekere luisteraars dat zij besloten het te laten drukken als professor Wattles het manuscript zou leveren. Dit heeft hij gedaan.

De overeenkomst tussen de ethiek van het echte Christendom en het Socialisme is perfect. De hoeksteen van elk is gelegd in Gerechtigheid, Gelijkheid, Broederschap. Onder het verachtelijke en zinloze economische systeem in zwang kunnen deze principes niet in de praktijk worden gebracht behalve door de absolute opoffering van ieder materieel belang. Wie kan twijfelen aan wat de economische houding van Jezus de timmerman, agitator van Nazareth zou zijn als hij nu zou leven!

De Geest van Christus is niet dood, maar hij kan niet meer verblijven in de moderne kerk  zoals hij deed in de kerk van Zijn dagen. Waar vinden we hem dan? Diegenen wier ogen zijn geopend voor de waarheid, zien de manifestatie van het echte christendom in de wereldwijde opstand van de werkende klasse. Daarin zien zij de dageraad van die “Vrede op aarde, welwillendheid aan de mens”, die Jezus verkondigde.

De lezer wordt ernstig aanbevolen om deze prachtige lezing te lezen met een open geest. Vooroordeel en intolerantie zijn molenstenen op de nek van aspirant intelligentie. Zij zijn een fatale handicap en kunnen niet zo snel worden afgeschud. Schrik niet terug voor een woord, zoals een paard van een veer terugschrikt, want het ene is net zo belachelijk als het andere. Een betere dag breekt aan en geen nobeler werk wordt aangeboden dan een economisch systeem te helpen vestigen waarbinnen het Christendom kan worden beoefend.

Jezus: de man en Zijn werk
door Wallace D. Wattles

Het valt te betwijfelen of er ooit iemand is geweest die zo verkeerd begrepen is door Zijn eigen tijdgenoten als Jezus van Nazareth. Zeker is geen mens ooit zo schromelijk in een verkeerd daglicht gesteld door opeenvolgende generaties en in het bijzonder door diegenen die beweerden Zijn vrienden en volgelingen te zijn.

De Christelijke religie werd allereerst herkend door de machthebbers in een tijd dat de belangen van de heersende klasse de uiterste onderdanigheid en inschikkelijkheid van de mensen vergden; en vanuit de behoefte van de koninklijke en priesterlijke klassen aan een religieus ideaal dat de mensen ertoe zou moeten brengen genoegen te nemen met slavernij, het hoofd te buigen onder het juk van het belastingsysteem en zich zonder protest te onderwerpen aan iedere vorm van winstgevend kwaad, werd het concept van de boodschap en de personage van Jezus geboren, die nu als orthodox wordt geaccepteerd.

Het beeld van de man Jezus, dat jullie in je hoofd hebben, is veeleer gevormd door de  dichtkunst van Jesaja, 700 jaar voor Zijn geboorte geschreven, dan door de vier evangeliën, die stellen beschrijvingen te zijn van ooggetuigen van Zijn leven en werken. Passages in Jesaja zoals: “Hij wordt veracht en afgewezen door de mensen; een man van smarten en vertrouwd met verdriet; en wij wendden als het ware ons aangezicht van hem af; hij werd verdrukt en hij werd gekweld en deed zijn mond niet open; hij is als een lam naar  de slachtbank gebracht en, zoals een schaap stom is voor haar scheerders, deed hij zijn mond niet open,” zijn geciteerd om de zachtmoedigheid en de deemoed te tonen, de onderworpen geest waarmee Jezus onrecht en onrechtvaardigheid verdroeg; en ons is een verachte, vriendeloze, straatarme werkman als de Verlosser van de wereld voorgehouden, die door de hogere klasse met verachting bekeken werd vanwege zijn lage afkomst en positie; die geen vrienden had behalve vissers, werklieden, verschoppelingen en zondaars; die vaak geen onderdak had en hongerig was, en die beledigingen en kwellingen verdroeg met zachtmoedige onderworpenheid en die rondliep in een smalende wereld met zijn handen altijd opgeheven in liefhebbende zegening.

En deze personage wordt ons voorgehouden als het Christelijke ideaal. Wees zachtmoedig. Wees onderdanig. Wees als een lam of een schaap. Buig je hoofd voor de kwelgeest en bied de scheerder je rug aan. Verheug je dat het je gegeven is geschoren te worden voor de glorie van God. Het is een goede religie voor de mannen met de scheerschaar.

De Christus die ons vanaf de orthodoxe kansel wordt voorgehouden, is eerder een zwakke persoonlijkheid. Hij is niet de soort man die wij voor het presidentschap zouden nomineren. Zijn volgelingen hebben zeer weinig vertrouwen in hem als praktijkleraar bedrijfsethiek. Zij hebben veel vertrouwen in hem als onthuller van spirituele zaken, maar geen enkel als organisator van de zaken van deze wereld. Als vanmiddag aan het hele land getelegrafeerd zou worden dat de president is afgetreden en dat Jezus morgen zijn plaats zou innemen, zou 95% van de Christelijke zakenmensen hun geld van de bank halen uit angst dat Jezus een paniek zou inluiden.

Jezus zei over Zichzelf: “Als ik omhoog geheven word, zal ik alle mensen tot mij trekken.” Nou, Hij heeft niet alle mensen tot zich getrokken, zelfs geen meerderheid van de mensen, en ik ben geneigd te denken dat Hij nooit omhoog is geheven. In plaats daarvan wordt een onwerkelijke, denkbeeldige personage omhoog geheven en de mensen worden er niet door aangetrokken.

In de buurt van een zeker stadje in Indiana is een buurtschap dat bevolkt wordt door een Amish sekte. Zij dragen allemaal platte, zwarte hoeden en effen, zwarte kleren die zij sluiten met haken en ogen, want knopen zijn niet christelijk; zij scheren hun bovenlip, zij knippen hun baard recht af, evenals hun haar. Er wordt gezegd dat als een van de broeders een knipbeurt nodig heeft, zijn vrouw een kom of schaal omgekeerd op zijn hoofd zet en al het haar wegknipt dat eronderuit komt. Op deze wijze gekleed en in een zeer sterke geur van heiligheid, liepen op een dag twee van deze broeders over straat, en kwamen een oude boer tegen, een typische bewoner van Indiana. Na hen eerst kritisch bekeken te hebben, sprak hij hen als volgt aan: “Zeg, waarom laten jullie je niet knippen en scheren?’ “Wij kleden ons zo,” zei een van hen, “omdat we eruit willen zien als onze Verlosser.” “Zag de Verlosser er dan zo uit als jullie?” vroeg de boer. “Wij geloven van wel.” “Nou,” zei de oude man stellig, “verdomd als ik het de Joden dan kwalijk neem dat ze hem hebben vermoord.”

De broeders hielden een valse Christus voor en bijgevolg werd de oude man er niet toe aangetrokken; en ik wil jullie vandaag bewijzen dat de kerk, overal, ons een valse Christus voorhoudt; Ik wil Hem aan jullie laten zien zoals Hij was en is, de Ultieme Mens – de Hoogste Vorm, de incarnatie en de openbaring van dat Ene Grote Leven dat boven alles staat en doorheen alles en in ons allen is, ons allen verheffend naar eenheid met elkaar en met Hem.

Het is mijn taak Christus te redden van het Christendom.

Ten eerste, Jezus werd niet veracht omdat Hij een werkman was. Volgens het gebruik moest iedere Joodse Rabbi of geleerde een beroep hebben. We lezen in de Talmud over Rabbi Johanan, de smid, en over Rabbi Isaac, de schoenmaker, geleerde en hogelijk geëerde mannen. Over Rabbi Jezus, de timmerman, zou men op dezelfde wijze hebben gesproken. De heilige Paulus, een zeer geleerd man, was tentmaker van beroep. Hiermee overeenstemmend kón Jezus daar niet zijn veracht om Zijn positie of Zijn afkomst. Sterker nog, hij werd door het volk gezien als een geboren aristocraat, een zoon van het koningshuis, en hij werd regelmatig geëerd als de zoon van David.

Ten tweede. Hij werd niet veracht vanwege onwetendheid. Hij was een zeer geleerd man. Wanneer Hij maar naar een synagoge ging werd Hij gekozen, zijnde de best gekwalificeerde voor dat werk, om de wet voor te lezen en de congregatie te onderwijzen. Lucas zegt: “Zijn faam verspreidde zich door de hele regio en hij onderwees in hun synagogen, door allen geprezen.” In die tijd van felle religieuze controverse zou geen enkele ongeletterde man zich op een dergelijke wijze staande hebben kunnen houden. Hij was door en door thuis in de Joodse wetgeving; de wijze waarop hij zijn tegenstanders met passende citaten tot zwijgen bracht, laat zien dat Hij de materie tot in de puntjes beheerste. Zelfs Zijn vijanden spraken hem aan met Meester of Leraar, Zijn diepgaande kennis erkennend.

Ten derde. Hij werd niet veracht om Zijn armoede. Hij had veel welgestelde en invloedrijke vrienden. Lazarus en zijn zusters waren mensen van aanzien. Lucas zegt dat Johanna, de vrouw van Chuza, ‘s konings rentmeester, en andere vrouwen Hem hielpen met hun vermogen, dat wil zeggen, supporters waren van Zijn werk. De rentmeester van de koning was een hoge ambtenaar en zijn vrouw was een prominente dame. Jozef van Arimathea, die voor Zijn lichaam zorgde, was een man in goede doen. Ook Nicodemus was dat waarschijnlijk. Jezus genas de zieken in de families van heersers en van hoge ambtenaren en zij lijken ruimhartig te hebben gereageerd door te voorzien in Zijn financiële behoeften. Het is waar, Hij bezat geen onroerend goed; maar Hij kleedde zich duur, en had nooit gebrek aan geld.

Toen Hij werd gekruisigd was zijn kleding te mooi om in stukken te snijden, en dus dobbelden de soldaten erom; in de nacht van Zijn verraad, toen Judas wegging, ging men er vanuit dat hij was weggegaan om iets aan de armen te geven. Het moet hun gewoonte zijn geweest om geld weg te geven. In dat land en in dat klimaat waren hun behoeften gering en eenvoudig, en er werd volledig in voorzien. Jezus droeg mooie kleren en had overvloedig te eten en te drinken, en had geld om weg te geven.

Lees de vier evangeliën en je kunt geen andere conclusie trekken. Jezus was niet deemoedig in de gangbare zin. Hij liep niet rond met neergeslagen blik of met een algehele houding van toestemming vragen om op aarde te mogen zijn. Hij was een man met een zeer indrukwekkend, autoritair en krachtig persoonlijk voorkomen. Hij “sprak als iemand met gezag” en ons wordt regelmatig verteld dat een groot ontzag en angst zich meester maakte van de mensen door Zijn machtige woorden en werken. Op één plek werden zij zo bang dat ze Hem smeekten weg te gaan; en Johannes vertelt hoe zekere officieren, gestuurd om Hem op de markt te arresteren, hun moed verloren in Zijn indrukwekkende aanwezigheid en terugkeerden, zeggende: “Zeker sprak er nooit iemand zoals deze man.”

Op de avond van Zijn arrestatie benaderden een groep soldaten Hem in de boomgaard, en vroegen naar Jezus van Nazareth; en toen Hij antwoordde: “Ik ben hem,” was Zijn majesteit en geestelijke kracht zodanig dat zij zich ter aarde wierpen; “zij deinsden terug” zegt het verslag, ” en vielen op de grond.” Lijkt de man die ik beschrijf jullie op een van onze Amish, of zelfs op een van onze Methodisten? Toch is dit de Christus van de vier evangeliën. Ik zou een van Zijn hedendaagse volgelingen weleens een peloton politieagenten tegen de grond willen zien werken door te zeggen: “Ik ben hem.”

Welnu, om als Christus te zijn in persoonlijkheid moet een mens geleerd zijn, goed gekleed, goed voorzien van geld en een nobel, indrukwekkend voorkomen hebben, spreken met gezag en in het bezit zijn van een geweldige aantrekkingskracht.

Wat nu met de christelijke houding naar de wereld? Een van de allerbeste manieren om die te begrijpen is Zijn redenen te bestuderen voor het aannemen van Zijn titel – de Mensenzoon. Hij sprak zelden over Zichzelf op een andere wijze. Deze uitdrukking, mensenzoon, was gebruikelijk in de Joodse profetieën. Het was simpelweg een meedogende manier om Mens te zeggen. Als je je Methodisme wilde benadrukken zou je kunnen zeggen: “Ik ben een zoon van Wesley [grondlegger van het Methodisme, vert.]” en als je je menselijkheid wilde benadrukken, zoals Jezus deed: “Ik ben een mensenzoon.”

Waarom benadrukte Hij het feit dat Hij een mens was? Merk de nuance op. De zoon van Wesley zal staan voor Methodisme en de zoon van Calvijn zal staan voor Calvinisme, maar de Zoon van Mensen moet staan voor de mensheid.

Het Romeinse Rijk was een grote belastingmachine. In de veroverde provincies werd de bevolking zoveel mogelijk hun eigen lokale regering en rechtsprekende instanties gelaten, terwijl het de functie van de Romeinse ambtenaren was om met geweld een schatting los te krijgen, of belastingen te innen. Iedere vorm van afpersing werd uitgeoefend door gouverneurs, procuratoren en belasting-inners op diegenen die in staat waren om te betalen. Openlijke beroving, marteling, ontvoering, valse beschuldigingen, alle soorten wandaden konden worden uitgeoefend op de man die geld had, om de hebzucht van de hogere machten uit te lokken. En omdat de onderdrukte eigenaren geen enkele andere wijze hadden om aan de afpersing van de regering te voldoen dan de armen te onderdrukken, waren de omstandigheden van de massa zeker beklagenswaardig. Jullie kunnen gemakkelijk inzien dat de handeldrijvende en bezittende klassen de armen op de een of andere manier moesten uitbuiten om aan het geld te komen om hun belastingen te betalen.

Het is onmiskenbaar een economisch axioma dat alle belastingheffing, van welke soort dan ook, aan wie dan ook opgelegd, uiteindelijk uit de harde handen van de ploeterende armen wordt geperst; dat is de reden dat ze arm zijn.  Om jullie een idee te geven van hoe onderdrukkend deze belasting was kunnen we uit bepaalde passages in Josephus schatten dat het privé-inkomen van Herodes de Grote drie en een half miljoen dollar per jaar was. Dat is natuurlijk niet zoveel als het inkomen van de president heden ten dage, maar hij heeft een veel groter land en meer mensen om belasting van te heffen, en waar het hem niet is toegestaan om een paar van Herodes’ meest effectieve methoden te gebruiken, heeft hij andere van zichzelf die de ruwe manieren van de monarchen van de oudheid zeer ver in de schaduw stellen.

De enorme sommen die opgehaald werden in die kleine provincie leidden de ongelukkige zwoegers naar de uiterste grens van de ondergang; zij konden niet verder omlaag en nog in leven blijven. In Judea waren er in die tijd diverse religieuze sekten, die in zekere zin ook politieke partij waren, konkelend voor een plek en macht, en voor invloed in Rome. De Farizeeërs, Sadduceeërs, Essenen, Samaritanen, enz., waren het oneens over diverse kwesties, zoals de interpretatie van profetieën, het bestaan van engelen, de wederopstanding van de doden, de doop, enzovoorts. De strijd tussen deze partijen was wanhopig boosaardig en bitter, vaak tot de grens van persoonlijk geweld. Hun woordenwisselingen eindigden geregeld in rellen. Je zult terwijl je dit leest merken dat ze altijd bereid waren om “de stenen op te rapen” om een einde te maken aan een dispuut; vaak redde alleen de indrukwekkende persoonlijkheid van Jezus Hem van gestenigd te worden door dit religieuze gepeupel. Deze sekten waren bijzonder gretig om mensen te bekeren. Jezus zegt over hen dat zij stad en land af zouden reizen om hun aantal met één te doen toenemen.

Onder al deze twistende partijen uit de middenklasse kwam het gewone volk, verzonken in de meest ellendige armoede – belast, geslagen, gekrenkt, beroofd, afgeslacht, en nergens werd een stem verheven in hun belang. Niemand, Jood of Heiden, dacht eraan om gerechtigheid te eisen voor deze grote, heterogene massa. Er wordt van Jezus gezegd dat Hij “mededogen had met de grote massa, omdat zij flauwvielen en verward waren en als schapen zonder herder.” Zij hadden meer dan voldoende herders om hen te dopen, om voor hen de profetieën te interpreteren, om hen in “geestelijke” zaken te onderrichten, en zelfs om hen te scheren; maar niemand die vroeg om een verlichten van hun lijden – niemand die riep om gerechtigheid voor hen.

Er zijn nog steeds herders die zich veel drukker maken over de correctheid van de doctrine dan over gerechtigheid. In dit doolhof van onderdrukking, belasting, moord, krenking en theologische discussie komt de grootse figuur van de Christus, die zegt: “De Geest van de Heer is met mij, want hij heeft mij gezalfd om goed nieuws aan de armen te prediken. Ik ben geen Farizeeër; ik ben geen Sadduceeër; ik ben geen Esseen of Samaritaan: ik ben een man! Ik kom niet ten behoeve van het Farizeïsme of Samaritanisme, maar ten behoeve van de mensheid.” Een nieuw geluid in religie; een nieuwe houding. Geen wonder dat zij “zich verbaasden over zijn doctrine.” Geen wonder dat Zijn woord kracht had. Geen wonder dat zij zeiden: “Hij spreekt als iemand met gezag.”

In het Johannes evangelie zegt Jezus over Zichzelf dat de Vader Hem het gezag heeft gegeven om oordeel te vellen omdat Hij een mens is. Ik zeg dat dit de enige reden is die God ooit gehad heeft om gezag aan wie dan ook te geven, en ik zeg dat indien er nu waar dan ook enig man is op wie de goddelijke sanctie rust, dit niet zo is omdat hij een Farizeeër is of een Sadduceeër, een Methodist, Presbyteriaan, Republikein of Democraat, maar omdat hij een mens is. En ik zeg ook dat onder allen die heden ten dage leiderschap krachtens goddelijke zalving opeisen, we deze test toe kunnen passen met de zekerheid dat de man die staat voor menselijkheid, ten eerste, ten laatste en de hele tijd, tegen alle gevestigde belangen, religieuze en politieke in, de man is die met God is. Hij en alleen hij heeft de ware Christelijke houding, de houding die Jezus innam.

En omdat Hij deze positie innam; omdat Hij stond voor menselijkheid tegenover de gevestigde religieuze belangen van Zijn tijd, werd hij als godslasteraar  beschouwd; omdat Hij stond voor menselijkheid tegenover de gevestigde economische en politieke belangen van Zijn tijd werd Hij een godslasteraar genoemd; omdat Hij tegenover de gevestigde economische en politieke belangen van Zijn tijd stond voor menselijkheid, werd Hij een verrader genoemd. Jezus werd gekruisigd, aangeklaagd voor godslastering en verraad; en Hij was schuldig – wettelijk – aan beide punten. Ik ken geen trotsere titels, wanneer rechtmatig verkregen, dan deze: Godslasteraar en Verrader! Ik bid de Grote Intelligentie, voor wiens ogen alle zaken van de mensen worden uitgestald, om bij mijn naam in het boek van Zijn herinnering, Godslasteraar – Verrader te schrijven: trouweloos aan iedere kerk die zich verontschuldigt voor economisch onrecht; Verrader aan iedere regering die meewerkt aan het uitbuiten van de armen. De enige zondige trouweloosheid is de ontrouw aan de waarheid; het enige verachtelijke verraad is verraad aan de zwakkeren. Dit was de houding die Jezus innam; Hij drukte dit alles uit toen Hij de titel aannam die Hem de kampioen van de mensheid maakte – toen Hij zei, “Ik ben de mensenzoon.” En Hij bracht dit volledig tot uitdrukking in Zijn leringen.

Laat me uit de bergrede citeren: “Gij hebt gehoord dat door hen van oude tijden gezegd werd, gij zult niet doden; en al wie zal moorden zal het oordeel toevallen; maar Ik zeg U: dat al wie vertoornd is op zijn broeder, het oordeel zal toevallen, en al wie tot zijn broeder “Raca” zegt, zal de raad toevallen, maar al wie “gij dwaas” zal zeggen, zal toevallen aan het hellevuur.” De uitdrukking “gij dwaas” geeft het origineel niet helder weer; het zou beter worden overgedragen door de uitdrukking “jij bent niet goed”, of “je bent van geen waarde”.

Laat me de betekenis van deze passage voor jullie illustreren. Ik zat in de lobby van een hotel toen het nieuws binnenkwam van een gruwelijke mijnramp Indiana, waarbij een aantal arme kerels hun leven verloren. Twee goedgeklede mannen bespraken de gebeurtenis en een van hen zei: “Nou goed, er zijn alleen maar een paar Hongaren minder! Er staan er een miljoen klaar om morgen in hun schoenen te stappen. De wereld heeft er niets aan verloren.” Jezus zegt dat al wie zo over een mens spreekt, zal toevallen aan het hellevuur. Dat is de exacte betekenis van deze passage. De verantwoordelijkheid van iedere moord berust bij diegenen die de waarde van een mensenleven laag inschatten. Het vermoorden van Filippino’s vanwege onze commerciële belangen plaveit vanwege diezelfde “belangen”, de weg naar het vermoorden van Amerikanen in de straten van onze eigen steden. Het spreken van “inferieure rassen” is slechts een prelude naar het spreken van “lagere klassen.” Wie zo spreekt valt toe aan het hellevuur.

De doctrine van de hel op zich is voortgekomen uit het verfoeilijke idee dat er enkele klassen van mensen zijn die van bijzonderdere waarde zijn voor God; en diegenen, die dergelijke godslasteringen onderwijzen, lopen altijd op de afbrokkelende rand van dat donkere gat, waarin de vuren van eeuwige wraak gloeien. Als er iemand naar de hel gaat, zullen het diegenen zijn die de mens verlagen.

Dit is wat Jezus zei. Welnu, als je Mattheüs hoofdstuk 12 openslaat, zul je lezen dat de discipelen op de Sabbat over de velden liepen en dat zij korenaren plukten en onderweg opaten. Dit gaf de Farizeeërs veel ergernis. Zij waren niet beledigd omdat zij het graan namen, want bij wet oversteeg het recht van een hongerige op leven de eigendomsrechten van de eigenaar van het veld; niemand zou het de uitgehongerde reiziger verbieden om iets te plukken en op te eten. Ik zeg dat de Farizeeërs niet boos waren omdat zij aten, maar omdat het op de Sabbat gebeurde. De Farizeeërs dachten dat het meest waardevolle voor God hun kerk was, met haar gevestigde gebruiken en riten. Zij zouden de Sabbat niet breken om de hongerigen te voeden; zij zouden hem niet breken om de zieken te genezen. God gaf meer om het instituut dan om de mens.

En dus klaagden zij bij Jezus; en Hij antwoordde hen; “Heb je niet gehoord wat David deed toen hij honger had, hij en zij die bij hem waren?” en Hij ging verder met hen te vertellen hoe David en zijn metgezellen – en David’s kameraden waren in die tijd een machtige ruige bende – de tempel zelf binnen gingen, en het offerbrood, dat heilig was, pakten en opaten – en God keurde het goed. “Eén is hier, groter dan de tempel,” zei Jezus. God geeft meer om een hongerige dan om een heilig huis.

In Marcus 2, waar hetzelfde verhaal wordt verteld, voegt hij toe: “De Sabbat is voor de mens gemaakt, de mens niet voor de Sabbat.” Hier wordt het probleem tussen Jezus en Zijn tegenstanders duidelijk afgebakend. Zij loofden de aanbidding, de tempel, de Sabbat, de rituelen. Hij loofde de mens. En ik ben het met Jezus eens. Ik voel geen eerbied voor gebouwen, al kunnen het magnifieke bouwwerken zijn, waar schemerig licht door gebrandschilderde ramen op heiligenbeelden valt, en waar priesters in gewaden in plechtige rite zingen; deze dingen doen mij helemaal niets. Maar als ik in een schoolklas sta en naar de opgewekte gezichten van honderd jongens en meisjes kijk – wanneer ik op een drukke markt ben of in een fabriek, waar mijn broeders en zusters zwoegen om te voorzien in de wereldse behoeften, en me realiseer dat elk leven vóór mij mogelijkheden, grenzeloos als het universum zelf, in zich heeft; wanneer ik in de aanwezigheid van deze zwoegende, lijdende, liefhebbende, zoekende, glorieuze, gewone mensen ben, ontbloot ik mijn hoofd en buig met eerbied, want hier ben ik waarlijk in de tegenwoordigheid van de Almachtige God. Eén is hier groter dan de tempel, groter dan de kerk, groter dan de Sabbat.

God roept de mens op tot meer dan het eerbiedigen van bepaalde dagen, of het heilig houden van bepaalde plekken. Deze hele aarde is een zeer heilige plek omdat ze door de liefde van God is gewijd om Zijn doel te vervullen, de hoge bestemming van de mens.

Is dit niet de enige rationele interpretatie van deze uitspraken van Christus? Hebben jullie het zo ooit in de kerk gehoord? Die van hen is een metafysische Christus, een valse Christus. Deze Christus die ik jullie vandaag voorhoud is de echte Verlosser.

De moeilijkheid met de kerken is dat zij allemaal teveel lijken op een bepaalde kerk in Washington. Het was een Calvinistische kerk – een zeer plechtige plek. Washington is hoe dan ook een plechtige plek, voor mensen die in de hel geloven – zij zijn vlakbij hun einddoel. Een goede, oude Methodiste ging op een zondag bij toeval deze kerk binnen en ging zitten. De predikant was welbespraakt en de oude dame, diep geroerd, riep meteen enthousiast: “Amen!” Een koster tikte haar zachtjes op de schouder en fluisterde: “Mevrouw, u wilt alstublieft wel stil zijn.” Zij bedaarde, maar onder invloed van de goede preek, verloor zij zich meteen weer en schreeuwde: “Glorie aan God!” Weer kwam de koster met zijn gefluisterde berisping. “Maar meneer,” zei ze, “ik ben in extase.” “O, nou mevrouw,” antwoordde hij, “dit is geen plek om in extase te zijn.” Jullie lachen. Misschien kennen jullie kerken waar ook alles meer welkom is dan extase.

“En Jezus nam een klein kind, en zette het in hun midden en zei: “Al wie zichzelf deemoedig zal maken zoals dit kleine kind, zal groot zijn in het hemelse koninkrijk.” Jullie hebben ongetwijfeld veel afbeeldingen gezien van Jezus terwijl hij de kleine kinderen zegende, en jullie hebben Hem altijd gezien, omringd door mooi geklede dames, die leuke, schone baby’s meebrachten – het soort kinderen waar je makkelijk van kunt houden; het soort dat je alleen maar kunt zegenen. De heren die deze beelden tekenden komen meer tegemoet aan het kunstzinnige gevoel dan aan een verlangen om de feiten in deze accuraat weer te geven.

Dat was ongetwijfeld een slavenkind; een kind uit de poel van wanhoop, ongewassen, ongekamd, bedekt met ongedierte; menselijk in Zijn lijden, in Zijn vermogen pijn te voelen, maar met het grootste deel van Zijn menselijkheid sluimerend in Zijn ziel, zichtbaar voor God maar niet voor de mens. En Hij zei: “Wie een dergelijk klein kind bij zich opneemt, neemt mij op.”

Er zijn heel veel kinderen waarin het voor jullie moeilijk is de Christus te zien, nietwaar? Laat mij voor jullie doen, mijn vrienden, wat Jezus deed voor Zijn toehoorders; laat mij een kind brengen en Het voor jullie zetten.

Ik ging met een dokter een appartementen gebouw in Chicago binnen, op een hete middag in het seizoen waarin die gebouwen oververhitte ovens worden, om een paar kinderen te bezoeken, die ziek waren. In een kamer vonden we een klein jongetje – een heel erg klein jongetje – dat stervende was aan koorts. De kamer was smerig en intens warm; er waren drie andere kinderen, vies en onverzorgd. De moeder besteedde al haar tijd aan haar zieke kindje, zijn droge en bloedende lippen bevochtigend, en trachtend zijn lijden te verlichten met alle armzalige middelen waarover zij beschikte. De dokter zei die dag tegen mij: “Ik kan naar volwassenen gaan die stervende zijn, of gestorven, zonder al te zeer aangedaan te zijn; ik kan naar kinderen gaan, die dood zijn, en God danken; maar wanneer ik ergens kom waar deze kinderen ziek zijn, en zie wat zij moeten dragen, en hoe zij het dragen, dan stort ik in en zakt de moed me in de schoenen. Ik kan het niet aanzien.”

Arme kleine jongen, met zijn koortsige ogen en vuurrode wangen, hij lag daar zeer geduldig, en alleen de rusteloze beweging van de vermagerde handjes op de sprei verraadde zijn lijden. Hij sprak tot zijn moeder: “Mama,” zei hij, “het is tijd voor papa om te komen.” De vader werkte als kolenschepper op een station, daar in de buurt, en verliet blijkbaar zo nu en dan zijn werk om snel even zijn kind te zien. “Ja lieverd” antwoordde de moeder, “papa zal er zo zijn.” “Mama,” zei het kind, “als papa komt zal hij zeggen ‘Hoe is het met mijn kleine man’ en ik zal zeggen ’goed’, zodat hij blij zal zijn. Vertel het hem niet, maar ik denk dat ik doodga.”

Zie je, hij dacht niet aan zichzelf, zelfs niet in zijn laatste uur, maar aan zijn vader. Welnu, de vader kwam de kamer binnen. Het was een ruige, wild uitziende man, met ongekamde haren en baard, alleen gekleed in een hemd en overall, zijn gezicht en blote armen zwart van de kolen. Ik twijfel er niet aan dat hij een ongeletterd man, wat betreft boeken. Ik twijfel er niet aan dat hij een slechte man was vanuit orthodox en conventioneel standpunt; ik veronderstel dat hij wel eens vloekte en kaartte om bier en andere vreselijke dingen deed.

Toen hij binnenkwam keek hij bezorgd naar zijn vrouw, en toen naar ons, en las op onze gezichten de ergste tijding. Zijn eigen gezicht beefde en zijn bebaarde lippen vertrokken; toen, omwille van het kind, forceerde hij een opgewekte glimlach en kwam door de kamer naar het bed; en terwijl hij kwam scheen met een verheerlijkt licht een vaderliefde op zijn door kolen getekende trekken, zo heilig als de liefde van God Zelve.

De vader boog zich over het kinderbed. “Hoe gaat het met mijn kleine man?” vroeg hij. En de zwakke stem zei moedig, terwijl de uitgedroogde lippen zich verwrongen in een deerniswekkende poging te glimlachen: “Het gaat goed met mij, papa; het gaat goed.” De man stortte in. Hij barstte in snikken uit en overeind springend haastte hij zich naar de overloop, worstelend om zijn zelfbeheersing terug te krijgen. De moeder, ook bitter snikkend, boog zich weer over haar kind; en over de wang van het arme kind rolde slechts één traan – uit medelijden – voor zijn vader. Dat was een “ordinair” kind; een uit de “lagere” klasse. Niet een van de “sterkste om te overleven” – en zo stierf hij.

Jezus nam een klein kind en zette het tussen hen in, en zei: ” Al wie een van deze kleinen kwaad doet, het ware beter dat hem een molensteen om de nek werd gehangen en dat hij in zee werd geworpen.” Ja, op iedere man, of vrouw, of spoorweg systeem, of financieel systeem of industriële orde die staat tussen het kind en het leven, rust de vloek van God. Ik zeg, met Jezus, dat het belangrijker is dat recht wordt gedaan aan zo’n klein kind dan dat alle graanoogsten van duizend jaar worden bewaard.

“Al wie zichzelf deemoedig zal maken zoals dit kleine kind, diezelfde zal groot zijn in het hemelse koninkrijk.” Hoe kun jezelf deemoedig maken als zo’n kind? Betekent het als een kind te zijn in de geest, leergierig, goedgelovig? Nee; er is maar een manier. Sta naast dat kind uit de poel der wanhoop en zeg: “Vóór God is hij even goed als ik. Hij heeft recht op alles wat ik voor mijzelf en mijn kinderen opeis, en ik zal niet rusten tot alles wat ik voor mij en de mijnen opeis ook voor hem zeker is.” Dan begin je groot te worden in het Koninkrijk van God.

Hoe kan ik mijn naaste liefhebben als mijzelf? Hoe kan ik van dat kind houden zoals van mijn eigen kinderen?

Op een dag praatte Jezus met de mensen en Hij zei: “Waarom maken jullie je zorgen over wat te eten en wat te dragen? Zoek een rechtvaardige en rechtschapen orde van dingen en je zult overvloed hebben.” Ik ben hier om te getuigen dat Jezus de waarheid vertelde. Deze wereld zou voedsel produceren voor tienmaal haar populatie. Zij zou tienmaal haar bevolking kleden, weelderiger dan Salomon gekleed ging in al zijn glorie. Zij zou voor ieder gezin, dat haar bewoont, bouwmaterialen leveren om een paleis op te richten, groter dan Rockefeller’s herenhuis. Onze Heer heeft voorzien in het ruwe materiaal voor de essentiële dingen van het leven, duizendmaal meer dan wij kunnen gebruiken. Het volk als geheel is rijk, overvloedig rijk. Het bevredigen van menselijke behoeften is een probleem van methodiek en organisatie. We hebben de methodiek vrijwel geperfectioneerd. Het is nu een probleem van organisatie.

Zoek het koninkrijk van de Vader, zegt Jezus, en je lost het probleem van brood en boter op. Hoe ziet het koninkrijk van een vader eruit? Laat ons zeggen dat er ergens een vader van een gezin is, en hij ziet zijn kinderen samenkomen aan de tafel die hij voor hen allen overvloedig heeft gedekt, zoals onze Vader dat voor ons heeft gedaan. Welnu, de grootste jongen komt het eerst aan tafel en hij verzamelt alle goede dingen rondom zijn bord en slaat zijn armen eromheen; zijn kleine zusje steekt haar hand uit naar een stukje en hij slaat haar; hij slaat de uitgestoken handen van de anderen weg en zegt: “Ga weg! Onze vader heeft dit hier neergelegd en ik was hier het eerst en het is van mij! Ga weg,” (klap, duw, ruk), en opkijkend naar zijn vader zegt hij: “Onze Vader (klap), Uw koninkrijk kome (harde klap), Uw wil geschiede” (dreun). Zou die vader niet zeggen: “Mijn wil zal niet geschieden totdat je broers en zussen een gelijke kans hebben.”? En als de grote jongen zou zeggen: “Welnu, vader, dan zal ik het houden als uw beheerder en zal ik de anderen geven wat zij nodig hebben als ik het kan missen.” Zou de vader niet zeggen: “Mijn koninkrijk bestaat niet uit welwillendheid of liefdadigheid, of zelfverloochening, of opoffering, of aanbidding, of naleving van de Sabbat, maar uit gerechtigheid voor allen.”

Jezus wees erop dat vogels zich geen zorgen maken over het krijgen van voedsel. Zij leven in het koninkrijk van God. Wij leven in het koninkrijk van de keizer. Als de tijd ooit aanbreekt dat een paar slimme vogels een monopolie op insecten krijgen of een kartel in wormen gaan organiseren, dan zullen er ook zorgen onder hen zijn.

Welnu, wat de natuur betreft is er niets dat mij ervan weerhoud om van mijn naaste te houden zoals van mijzelf. Er is overvloed voor hem en ook voor mij. En wat betekent precies dit van je naaste houden zoals van jezelf? Stel dat mijn vrouw en ik aan tafel gingen en we hadden niets anders te eten dan een korst brood en een stuk taart. En stel dat ik de taart pak en zeg: “Mijn lieve vrouw, wat houd ik veel van jou! Ik wou dat jij wat taart had!” en ik slik het door en laat het aan haar om op de korst te knagen. Van wie houd ik het meest, van mijzelf of van haar? Als ik haar liefheb als mijzelf, zal ik dan instemmen met het inpikken van de taart? Als ik haar liefheb als mijzelf dan zal ik wat ik voor mijzelf probeer te krijgen ook voor haar proberen te krijgen. Als ik jou liefheb als mijzelf, zal ik wat ik voor mijzelf probeer te krijgen ook voor jou proberen te krijgen, en wat ik voor mijn kinderen probeer te krijgen ook voor de jouwe proberen te krijgen en zal ik niet méér rusten onder een onrecht, jouw kinderen aangedaan, dan als het mijn kinderen was aangedaan.

Kunnen jullie je nu een toestand van de maatschappij voorstellen waarin het goede dat ik voor mijzelf doe, ook voor jou gedaan zal worden? Ik sprak op een avond in Chicago en na afloop stapte ik in een tram en stond naast een meisje dat een van de luisteraars was geweest en zij zei tegen mij: “Meneer, ik hoorde uw toespraak en vond hem erg goed. Ik ben maar een arm, onwetend meisje maar ik heb over deze dingen nagedacht, en de wereld zoals zij is doet mij denken aan een van die grote vijzels waar ze gebouwen mee optillen – je draait een hendel alsmaar in de rondte en het centrale gedeelte wordt omhoog getild. Dus het lijkt erop dat wij arme mensen aan de hendel staan. We lopen altijd in de rondte en komen nooit hogerop. We blijven altijd op dezelfde plaats. We lopen rondjes om iemand anders op te tillen. En ik dacht dat het zoals een van die wenteltrappen vastgezet kon worden, zodat als we met zijn allen rondgingen we allemaal samen omhoog konden gaan, en het werk dat we met zijn allen doen ons allemaal zou helpen, en als een paar mensen niet zo hoog zouden komen, we op een dag allemaal samen bij de top zouden komen en dat zou voor ons allemaal beter zijn.” En ik dacht dat als het in mijn macht lag, ik alle collegeprofessoren en predikanten en onderwijzers naar dit arme meisje zou sturen om aan haar voeten zittend een beetje politieke economie te leren.

Deze dingen worden verborgen voor de wijzen en verstandigen en onthuld aan de simpelen van geest. De zuiveren van hart zullen God zien. De gemiddelde mens is zo verknocht aan de idee van de goddelijke oorsprong van de huidige orde dat hij de mogelijkheid van een verandering niet kan bevatten. Hij zal niet onderzoeken, hij zal niet overwegen; hij zegt simpelweg: “Het kan niet worden gedaan.” Hij is als de oude inwoner van Tennessee die niet geloofde in spoorwegen. Zij bouwden een spoorweg bij hem in de buurt en de buren kregen hem zo ver om op een dag naar de rails te gaan kijken. Zij hadden de rails tot de oever van de rivier gelegd en aan de andere kant een tunnel gegraven in een heuvel, maar waren nog niet begonnen met het bouwen van de brug. De oude man sloeg een blik – dat was voldoende. Hij hield niet op met het stellen van vragen. Hij gooide zijn handen in de lucht en zei: “O, donders, je gaat me toch niet vertellen dat je een locomotief kunt maken die over die rivier springt en in dat gat in de heuvel terecht komt! Dat kan niet worden gedaan.”

Hebben jullie ooit gedacht, o gij kleingelovigen, dat er een manier is om deze kloof tussen individuele inspanning en gezamenlijke inspanning te overbruggen? Beschouw een ogenblik ons openbare schoolsysteem. Wij onderwijzen onze kinderen door onze inspanningen te verenigen. Wij zijn gezamenlijk de eigenaars van de school. Jullie zijn eigenaar van de school van Marion, Indiana. En ik ben deels eigenaar van de school in Cincinatti. Wat dat aangaat zijn wij allemaal één familie, nietwaar? Het is het koninkrijk van onze vader, deels, gevestigd temidden van het koninkrijk van de keizer, nietwaar?

Stel dat ik, in mijn liefde voor mijn kinderen, een nieuw tekstboek bedenk of een geschikter tafeltje of een comfortabeler stoel, wat dan ook wat hun werk gemakkelijker maakt of de schooldienst verbetert – dan zorg ik ervoor dat het wordt goedgekeurd, en zal ik mijn eigen kinderen hebben geholpen, jullie kinderen hebben geholpen, ik heb ieder kind van Maine tot California geholpen. Ik heb ieders leven opgefleurd en bijgedragen aan het geluk van ieder thuis, ik heb zowel alle kinderen liefgehad als mijn eigen. Dit is het wenteltrap-plan. Ik houd er zelf meer van dan van de vijzel-methode.

De industrie bevindt zich op het andere plan. Als ik een nieuwe arbeidsbesparende machine uitvind, zorg ik ervoor dat honderden van mijn broeders hun kans op inkomen verliezen en maak het probleem voor iedereen groter. Stel dat een fabriek net als een school was, een instituut, enkel om te voorzien in een gemeenschappelijke behoefte door een verenigde inspanning, zou dat dan ook zo zijn? Als ik door een of ander apparaat mijn eigen taak zou kunnen verlichten zou ik allen rust brengen en zou ik daarin weer mijn naaste  liefhebben als mijzelf.

De apostelen begrepen het als zodanig. Zij vingen aan een verenigde en harmonieuze wereld te bouwen. Lees het tweede en vierde hoofdstuk uit Handelingen van de Apostelen en lees de geschriften van de vroege Christelijke vaderen, en je zult zien dat het niet de idee van Jezus en de apostelen was om een instituut van aanbidding in een slechte wereld te bouwen, maar om de wereld zelf in een verenigde, harmonieuze, ordelijke en wetenschappelijke maatschappij om te vormen. Om van de maatschappij een wenteltrap te maken, waarop een verloste mensheid samen naar de eenheid met God zou marcheren. Zij hadden alle dingen gemeenschappelijk. Er was geen armoede onder hen die niet door allen gedeeld werd. De vroege kerken waren kleine gemenebesten, en het doel dat zij met intens enthousiasme nastreefden, was het bouwen van de wereld tot één groot gemenebest.

De Apostelen waren een soort communisten. Het doel van Jezus, zoals zij dat begrepen, was het vestigen van een wetenschappelijke maatschappij, die hij bij haar ware naam ‘het Koninkrijk God’s’ noemde; een wereld van vereende inspanningen, zich richtend op de ontwikkeling van het kleine kind. Het was deze glorieuze visie die viriliteit en kracht gaf aan de prediking van de vroege kerk, en de huidige kerk heeft geen kracht omdat zij geen doel en geen hoop heeft.

Dr. Quayle uit Indianapolis heeft een pamflet geschreven, waarin hij beargumenteert dat de Apostelen zich vergisten in hun maatschappelijke leer. Hij stelt dat zij het in hun theologie juist hadden – geïnspireerd en onfeilbaar – maar dat zij slechte zakenmensen waren. Ik zou zeggen dat dezelfde Heilige Geest die hen hun theologie gaf, hen ook hun maatschappelijke ideeën moet hebben gegeven. Het communistische regime maakte net zozeer deel uit van het leven van de kerk als het Avondmaal van de Heer, en was veel duidelijker door de leringen van de Meester gevormd. Dr. Quayle’s houding is gelijk aan zeggen dat de Heilige Geest een voortreffelijk, oud personage is, zeer correct in kwesties betreffende de doctrine, maar een beetje de weg kwijt als het gaat om de praktische zaken van het leven.

Dat is precies de houding van de huidige kerk Jezus toe. Iedere moderne prediker, met enkele uitzonderingen, ontkent zijn Meester wanneer hij spreekt over maatschappelijke problemen. Ik ga hier niet uitvaren tegen de kerk; maar de kerk beschuldigt ons van godslastering, van atheïsme en immoraliteit, en ik ga antwoorden met een verklaring van de zaak en met een tegenbeschuldiging.

Diegenen van jullie die het artikel van Elbert Hubbart hebben gelezen over de katoenmolens van South Carolina, zullen nooit de realistische beschrijving van de verschrikkelijke omstandigheden vergeten. Hoe de duizenden kindslaven bijeengebracht worden door fraude, een onjuiste voorstelling en door aan de hebzucht van hun vaders te appelleren; hoe de combinatie van lange uren, het zware werk en de vliegende zweep hun zwakke lichamen zo zeker en zo snel afbraken dat de gemiddelde levensduur van een kind, veroordeeld tot een van deze hellen, slechts vier jaar is. Het is georganiseerde moord op grote schaal; het is een wreedheid waar geen woorden voor zijn; een gewelddadigheid zo oneindig dat daar geen uitdrukking voor is. En vlakbij veel van deze slachthuizen zul je een kerk vinden, gebouwd door de kindermoordende coöperatie, en er is een prediker wiens salaris wordt betaald van het schamele loon van de stervende kinderen. In sommige gevallen wordt zelfs gerapporteerd dat een vast percentage op het weekgeld wordt ingehouden ter ondersteuning van het evangelie van die Christus die zei: “Dat wat gij voor de minsten van dezen hebt gedaan, hebt gij voor mij gedaan.”

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat die kerk onderhouden wordt door de georganiseerde uitbuiting van kleine kinderen, zelfs tot de dood aan toe. Ik denk dat wij het er allemaal over eens zijn dat een bedrijf dat de levens van kleine kinderen omzet in dividend fout is, en dat het geestelijk leven van wat voor kerk dan ook niet erg ver kan uitstijgen boven de bron waaruit zij haar financiële voeding betrekt. Een kerk die door kindermoord in leven blijft, kan niet veel goddelijke kracht bezitten in haar geestelijke bijstand, wel?

Wat is in principe het verschil tussen een bedrijf in het Zuiden dat het hele leven van een kind in vier jaar wegneemt, en een bedrijf in het Noorden dat het leven van een man of vrouw in twintig jaar wegneemt? Wat is in principe het verschil tussen een bedrijf in Ohio en een bedrijf in South Carolina? Wat is in principe het verschil tussen de voedingsbron van de kerk hier en de kerk daar?

Laat mijn broeders van de kansel mij beschuldigen van ketterij en godslastering als zij dat willen; ik antwoord met deze tegenbeschuldiging: ik zeg dat dezelfde kracht die grote ondernemingen corrumpeert en wetgevers omkoopt, die aanzet tot meineed en een vieze smet werpt op het gewaad van gerechtigheid, die het land beplant met bordelen en kroegen, en stadsbestuur tot een stank in de neusgaten van God maakt, de kracht is die de kerk voedt. Een georganiseerde zaak!

En ik spreek de beschuldiging uit dat georganiseerde ondernemingen en de kerk, die de naam van Jezus Christus draagt, tegenwoordig zij aan zij gaan op de doodlopende weg van de commercialisering, aan elkaar gebonden als een Siamese tweeling, gevoed met hetzelfde bloed, gevoed vanuit dezelfde bron, dezelfde gedachten denkend en van dezelfde geliefden houdend; en gelijkelijk schuldig voor God aan de uitbuiting van mensen, de achterstelling van vrouwen en de moord op kinderen.

Als dat godslastering is, laat de kerk er dan het beste van maken. Als het onwaar is, laat de kerk dat dan weerleggen. Als het waar is, laat haar dan haar gewaden reinigen van het onschuldige bloed, zich kleden in een jutezak met de as van berouw op haar hoofd, om genade smeken tot de Almachtige God.

Ten tijde van Jezus waren mensen zeer geneigd om zich met elkaar te vergelijken en God te danken dat zij niet zoals anderen waren. In Lucas, hoofdstuk 13, zul je lezen hoe Jezus tot hen zei: “Denken jullie dat diegenen op wie een paar dagen geleden de toren viel, grotere zondaars waren dan alle andere mensen in Jeruzalem, omdat hen zoiets overkwam? Nee, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen zal het jullie allemaal net zo vergaan!”

Denken jullie, mijn vrienden, dat het iemand zal helpen op de dag des oordeels voor het Kapitalisme, terwijl het bloed van zijn vermoorde miljoenen tot God schreeuwt om gerechtigheid, te zeggen: “Ik was Methodist: ik was rechtschapen in gerechtigheid,” “Ik was Baptist, ik werd onder water gezuiverd,” “Ik was Katholiek, ik zei iedere dag mijn gebeden op in perfecte regelmaat.” Ik zeg jullie van niet, maar alleen als we berouw hebben zal het ons niet zo vergaan.

Ach, hoezeer verlang ik ernaar om mijn broeders op de kansel deze visie van het Christendom van Jezus en de Apostelen te geven; dit concept van de ware Christus. Hoezeer verlang ik naar geschikte woorden om Zijn oproep aan hen en aan jullie over te brengen!

De oproep van Christus! Wat is die en waar is die? Waar horen we die? Kijk en luister naar het grootse schouwspel van jullie beschaving; zie de prachtige vertoningen, de uitstalling van rijkdom, de wonderen van kleur, de kunstwerken: hoor de machtige oproer van de grote wereld van commercie, het lawaai van de markt, het gegil van de fluiten, het luiden van klokken, het puffen van motoren, het stoten en rammelen van machines, het lawaai van muziek, het gejuich van opgewonden menigten – en luister nu wat beter, buig en wees stil en door alles heen hoor je een ander geluid, een geringe flard die elke dag luider en sterker wordt – het gekerm van wanhopige mannen, de snikken van gekwetste vrouwen, de zwakke kreten van stervende kinderen. De roep van de treurenden om verlichting, het pleiten van de misdeelden om gerechtigheid.

Dat, o mannen en vrouwen, is de oproep van Christus aan jullie. Wat betekent het voor een prediker van Gods boodschap in deze tijd om die oproep te beantwoorden? Het betekent te staan, niet voor liefdadigheid, maar voor gerechtigheid; niet voor hervorming, maar voor revolutie. Het beteken eerder de deuren van deze schitterende tempels te sluiten dan nog een dag langer te leven door het goud van georganiseerde onderdrukking aan te nemen. Het betekent weer de wegen en de paden op te gaan, zeggende: “De geest van de Heer is met ons omdat hij ons heeft gezalfd om het goede nieuws aan de armen te prediken.” Het betekent te werken, niet voor een instituut van aanbidding, maar voor een gemenebest. Het betekent om eens en voor al te breken met de gevestigde belangen van het Kapitalisme: ontrouw te zijn aan zijn religie, verrader aan zijn regering: om met Jesaja uit te roepen: “Uw prinsen zijn opstandig en metgezellen van dieven, elk van hen houdt van geschenken en gaat achter beloningen aan; Wezen bieden ze geen bescherming, het lot van weduwen laat hen koud; de buit van de armen is in hun huizen, hun handen zitten vol bloed! Breng geen wierook meer, zing geen gezangen meer; vier geen ceremoniën meer. Ik wil gerechtigheid voor aanbidding, zegt de Heer der Heerscharen.”

Ja, de oproep van Christus aan de prediker is om voor eens en voor al en absoluut te breken met het Kapitalisme. Geef de keizer wat des keizers is en God wat des Gods is, betekent dat alles des Gods is: in een verloste wereld is er geen plaats voor de keizer. En mijn broeder, zuster, de oproep aan jullie is dezelfde.

Mattheüs vertelt ons dat toen Jezus aan het kruis hing, de Farizeeërs Hem bespotten, zeggende: ” Als jij de zoon van God bent, kom dan van het kruis af.” Zij wilden geleid worden door een Zoon van God, maar zij wilden op gemakkelijke manieren geleid worden naar glorie, positie en macht. Zij wilden een competitieve Christus, die hen zou leiden naar een competitieve victorie. Zij wilden een koninkrijk van God, maar zij wilden dat volgens de algemene opzet van de koninkrijken van deze wereld. Zij wilden de armen liefdadigheid geven, geen gerechtigheid; de slaaf vriendelijkheid geven, geen vrijheid. Zij zouden goed zijn voor de armen zijn maar de armoede niet afschaffen; zij wilden gemakkelijk op de rug van anderen meerijden, niet anderen als last op hun eigen schouders dragen. “Als jij de Zoon van God bent, kom er dan af!”

En het huidige Christendom staat voor het kruis met dezelfde houding en zegt dezelfde woorden: “Niet die kant op, Meester! Niet gekruisigd worden ten behoeve van de mensheid! Leid ons de andere kant op! Kom van het kruis af!”

Vrienden, de oproep van Jezus is zoals hij 2000 jaar geleden was, en is altijd geweest de lasten van de zwakke, verongelijkte, gekwetste, beroofde, onderdrukte en misdeelde mensen te dragen. Om je leven te verbinden met dat van de armen. Om hun pijn te voelen, hun lijden te delen, te leven voor hun verlossing – om te buigen onder hun geweeklaag in duister Getsemanee; om met doornen gekroond, op wankele benen de steile weg naar de Calvarie op te gaan; volhardend omdat we achter het kruis de graftombe zien, en daar schijnt de glorie van een herrezen mensheid. Hef het hoofd op! De dag van uw verlossing nadert; het hemelse koninkrijk is nabij.

Vergelijk deze oproep, vrienden, met wat jullie horen vanaf de orthodoxe kansel, het appelleren aan eigenbelang, de aansporing om jezelf te redden; vergelijk het met het appelleren van de orthodoxe politiek aan alleen begeerte, en kijk of het je niet raakt. Is deze Christus het niet waard dat je hem volgt, heeft deze zaak niet het recht op je hoogste dienstbaarheid? Laten we onszelf daar vandaag aan wijden. Aan dienstbaarheid aan Christus in menselijkheid, aan het binnenbrengen van de verloste wereld, laat ons in navolging van onze vaderen ons leven, onze rijkdom en onze heilige eer aanvaarden.

Deze vertaling mag vrijelijk worden verspreid mits er geen veranderingen in worden aangebracht, er geen geld voor wordt gevraagd en onder vermelding van:

© 2013 Centrum voor Innerlijke Vrede, www.kristalzout.nl

Over Annemieke Akker

As of 1988 I have been working with people who truly wish to be WHOLE/HEALED and wish to start living from their Essence. And in life encounter things that help to make a leap in consciousness or are wholesome for body and mind. The information I find most interesting and the stories that I want to share, are published on this blog.
Link | Dit bericht werd geplaatst in bewustzijn en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s